Nanette
medewerker modezaak
medewerker modezaak
Positieve Vrouwen, eds. Marjo Meijer en Robertine Romeny, Schorer Boeken (1995)
'Als je gezond bent, wil je graag dun zijn'
Interview met Nanette
Toen Nanette in 1985 met vakantie naar Italië ging bestonden er geen campagnes voor veilig vrijen. Pas naderhand ontdekte ze dat haar zomerliefde een drugverslaafde was. Nog niets aan de hand. In die tijd was aids voor de meesten een Amerikaanse homoziekte. Terug in Nederland was ze een paar weken lang niet in orde. Hoge koorts, opgezette klieren. Ziekte van Pfeiffer, dachten de artsen. Ze werd weer beter en ging door met haar leven. Nanette is nu 29 jaar. Ze heeft aids.
(Een paar maanden na dit interview, in maart 1995, overleed Nanette.)
'Al die jaren ben ik seropositief geweest zonder het te weten. Ik had totaal geen klachten, totdat ik eind 1991 een zware verkoudheid kreeg die niet overging. Ik dacht: ik rook teveel. Dus ben ik gestopt. Dat hielp niets, het werd alleen maar erger. Dus ging ik naar mijn huisarts, maar die wist niet wat het was. Ik kreeg het steeds benauwder en kon niets meer doen. Op het laatst kon ik bijna niet meer lopen. Ik was zo ziek dat ik niet meer voor mezelf kon zorgen. Toen ben ik naar mijn moeder en Bob, mijn stiefvader, gegaan. Zij hebben mij naar het ziekenhuis gebracht. Ik zag helemaal blauw, zo benauwd had ik het. Eerst kwam ik terecht op een gewone afdeling, maar opeens werd ik met spoed naar de intensive care overgebracht. Keihard rennen door de gangen, terwijl ik daar lag in dat bed aan allerlei infusen. Mijn moeder moest huilen. Als ik daaraan terugdenk hoor ik nog het geklik van haar hakken.
Twee maanden heb ik het ziekenhuis gelegen. Een groot deel van de tijd was ik nauwelijks bij kennis. Ze gaven mij zware medicijnen. Ik weet nog wel dat een arts zich over mij been boog en zei: Je bent ernstig ziek, je moet vechten. Men wist wel wat er met mij aan de hand was. De symptomen van de longontsteking waren zeer specifiek. Een van de artsen vroeg toestemming om een hiv-test te doen. Op een dag kwam de dokter aan mijn bed en zei: Je hebt aids.'
Nanette beschrijft die eerste periode als onwezenlijk. 'Ik had voortdurend het idee dat het over iemand anders ging. Het was denk ik te veel om in een keer te kunnen bevatten. Ik heb het gewoon van me afgezet. Pas toen ik het verdriet in de ogen van mijn familie en vrienden zag, wist ik dat het over mij ging. Het was zo raar omdat ik voor mijn gevoel nooit risico had gelopen. Ik ging nooit uit, ik heb nooit drugs gebruikt, drink geen alcohol en had heel weinig vriendjes. Uit mijn medische gegevens bleek dat ik rond 1985 actief besmet moet zijn geweest. Die zogenaamde Pfeiffer was blijkbaar het eerste signaal. Omdat ik nooit heb geweten dat ik seropositief was dacht ik wel meteen: wie zou ik in die tijd besmet kunnen hebben. Ik wilde ze meteen waarschuwen.'
Met haar familie en vrienden heeft ze ongelooflijk geboft, vindt Nanette. Haar moeder beschrijft ze als haar heldin. Met haar stiefvader heeft ze een zeer goede band.
'Hij is zo lief en zorgzaam. Mijn familie is geweldig. Ik heb ook nog drie vriendinnen die ik al vijftien jaar ken. Die band is alleen maar sterker geworden. Een van hen is bijna een soort echtgenoot voor me, zonder seks dan natuurlijk. Ze is heel verstandig en geeft me altijd goede raad. Zeker nu ze geen vriendje heeft zijn we heel close. Jij bent mijn vriendje, zegt ze wel eens. Ik heb eigenlijk met iedereen om mij heen een veel beter contact gekregen. Mijn broertje vond ik altijd een ettertje, maar nu gaat het zo goed; ik hou zoveel van hem.
Er is er maar een in wie ik vreselijk teleurgesteld ben. Iemand van wie ik het nooit had verwacht. Zij is de eigenaresse van een modezaak waar ik werkte nadat ik van de mode-academie kwam. Ik dacht zij een echte vriendin was; we hebben zoveel dingen samen gedaan. Maar toen ik naar haar toeging om het te vertellen, durfde ze mij meteen geen hand meer te geven. Mijn moeder was meegegaan en heeft haar een krantje over hiv en aids in handen geduwd. Prachtig. Later heeft ze me toch ontslagen. Haar argument was dat ze niet meer genoeg werk voor me had. Dat komt wel hard aan.'
In de boekenkast staat een foto van Nanette. 'Van toen ik nog mooi was', zegt ze. Voorjaar 1994 verbleef ze opnieuw langdurig in het ziekenhuis. Ze had lymfeklierkanker in de hersenen. Als gevolg van de bestraling is ze al haar haren kwijt. Ze vertelt over haar ziekte zonder een spoor van kwaadheid of zelfmedelijden. Blijkbaar is het gewoon zoals het is.
'Toen ik weer wat op krachten was gekomen heb ik de reis van mijn dromen gemaakt. Ik ben met mijn vriendje - ook een Italiaanse jongen - naar Indonesië en Thailand gegaan. Dat was een fantastische tijd. Ik ben zo blij dat ik dat heb kunnen doen. Hij is echt een goeie jongen - erg zorgzaam en hij doet alles voor me. Ik word natuurlijk snel moe. Op het moment dat ik hoorde dat ik aids had kon ik hem niet bereiken. Hij zat toen in dienst. Zijn familie woont in een klein dorp op Sicilië, allemaal zwaar katholiek natuurlijk. In zo'n omgeving is aids gewoon onbespreekbaar. Het was heel moeilijk om niet met hem te kunnen praten. Op een dag bracht Bob tweehonderd losse guldens mee naar het ziekenhuis, zodat ik hem in de kazerne kon bellen. Zo lief vond ik dat.
Zijn eerste reactie was: Hoe lang heb je nog? Ik vond dat hij zich meteen moest laten testen. Uiteindelijk heeft hij dat wel gedaan. Negatief, god zij dank. Ik heb hem gezegd dat hij zijn eigen gang moest gaan, maar hij wil tot het einde bij me blijven. Soms denk ik dat hij dat uit een schuldgevoel doet, niet uit liefde. Maar ja, ik wil toch genieten van de tijd die ik nog heb. We zien elkaar niet vaak en als we elkaar zien wil hij nergens over praten. De taal is een barrière. Ik vind het al zo moeilijk om emoties in het Nederlands uit te drukken, laat staan in een vreemde taal.
Ik heb ook wel geluk. Mijn virus is een zwak soort virus. Ik heb nooit pijn, behalve die ene keer dat er een beenmergpunctie gedaan moest worden. Vreselijk is dat. Voor de rest voel ik me goed. Ben alleen snel moe. Verder gebeuren er alleen maar positieve dingen om mij heen. Toen ik de eerste keer uit het ziekenhuis kwam, was ik opgehouden met roken - geloof me, als je zo benauwd bent geweest wil je nooit meer een sigaret. Ook was ik afgevallen. Dat kon geen kwaad, want ik was altijd net iets te dik. Weet je wat zo gek is? Als je gezond bent wil je graag dun zijn. Nu moet er niet aan denken dat ik zo'n skelet word. Dat lijkt me vreselijk.
De tweede keer dat ik in het ziekenhuis lag, dacht iedereen dat ik dood zou gaan. Later bleek dat iemand in het laboratorium een verkeerde diagnose had gesteld. Hij zag overal vreemde cellen en trok de conclusie dat de kanker zich had uitgezaaid. Maar wat hij zag was aids. Ik twijfelde al de hele tijd omdat ik niets voelde. Toch denk je dan dat je nog maar heel weinig tijd hebt. En er was nog steeds een oud vriendje dat ik niet had gewaarschuwd. Dat was een moeilijke beslissing, omdat ik wist dat hij net getrouwd was. Ik wilde hem uiteraard niet in de moeilijkheden brengen. Uiteindelijk heb ik een brief geschreven aan hem en zijn vrouw. Dat leek me de juiste manier. Hij belde meteen op en was alleen maar bezorgd om mij. Het blijkt dat hij al jaren bloeddonor is en regelmatig wordt getest. Er is niets met hem aan de hand. Dat was zo'n opluchting. Het idee dat hij wist dat hij niet besmet was, nog voordat hij de inhoud van de brief kende, betekent voor mij heel veel.'
Als de brievenbus kleppert staat Nanette op. 'Ik heb euthanasieformulieren aangevraagd. Even kijken of ze al iets hebben opgestuurd.'
Ik vraag wat haar gedachten zijn over doodgaan. Als je niets doet raak je op een gegeven moment in een coma en dan ga je dood. Dat wil ik niet. Ik ben niet bang om dood te gaan, maar ik ben wel bang voor de pijn. Als je weet dat er geen genezing mogelijk is heeft het geen zin om te lijden. Ik zal er niet zomaar een einde aan maken. Die twee keer dat ik zo ziek was heb ik niet gedacht dat ik dood wilde. Ik ben wel veel bezig met de dood. Je bent emotioneler. Nare dingen op de televisie bijvoorbeeld, doen me nu veel meer pijn dan vroeger. Ik leef ook intensiever. Als ik in Amsterdam kom vind ik die stad zo prachtig, terwijl ik daar vroeger eigenlijk nauwelijks oog voor had. Als ik een blad aan een boom zie wil ik het aanraken en kijken hoe het eigenlijk in elkaar zit.
Weet je, ik ben eigenlijk wel blij dat ik dit heb. Vooral als ik invaliden zie of mensen die verminkt zijn. Ik heb het veel gemakkelijker. Ik heb de tijd om rustig van iedereen afscheid te nemen. Als er op dit moment een geneesmiddel tegen aids gevonden wordt, weet ik niet of ik dat zal nemen. Voordat ik hoorde dat ik ziek was had ik een doel. Het was mijn droom een eigen bedrijf te beginnen. Ik was vreselijk gelukkig en ik wist precies wat ik wilde. Dat werd allemaal in een klap weggemaaid. Als je beter wordt, moet je weer helemaal opnieuw beginnen. Ik moet er niet aan denken.
Anneloes Timmerije
