Harry
kok, restaurant-eigenaar
kok, restaurant-eigenaar
De GAY Krant 315 - 13 september 1996 p. 16
In de zomer van 1989 startte De GAY Krant de rubriek Uit het leven van een aidspatiënt, verzorgd door Felix Vechter. Het was een onderdeel van de krant, waarop veel waarderende reacties kwamen. Ruim een jaar later besloot de redactie danook een soortgelijke rubriek op te zetten, Rick's Report. Deze column werd tweewekelijks verzorgd door Edwin Bakker, die als mediajournalist onze radio- en tv-pagina's verzorgde. (Zijn relaas kunt u lezen in het gelijknamige boek, zie hiervoor elders in deze krant). Veel lezers leefden intens mee met Edwin en lieten ons na zijn overlijden weten, prijs te blijven stellen op een dergelijke zéér persoonlijke rubriek. Met ingang van dit nummer zal Frank Yehudi iedere twee weken zijn belevenissen en gevoelens op een rijtje zetten. Zijn vriend, met wie hij achttien jaar samen is, heeft aids. Dat roept emoties op. De lezer is gewaarschuwd, want hij/zij wordt middenin het leven van Frank en Harry gedropt…
Vrij Mens
Ik weet me geen raad. Verwarde gevoelens koken en tollen in me rond. Ik wil orde op zaken stellen en doe een poging daartoe door wat aantekeningen te maken. Met pen en papier heb ik me geïnstalleerd in een koffiebar, ergens in de buurt van de Place de la République. Harry en ik zijn een paar dagen in Parijs. 'Just for fun.' Mijn leventje dreigt vast te lopen. Ik zou erover willen praten, maar met wie? De echte vrienden? Ik vrees dat dit de situatie slechts complexer maakt. Therapie dan? Durf ik op dit moment niet zo goed. Ik weet ook niet hoe je dat aanpakt. Eerst maar eens schrijvend proberen licht in de duisternis te krijgen.
Harry heeft aids, dat weten we nu ruim een half jaar. Bijna tien jaar is ons bekend dat hij hiv-drager is. Tien jaar, een behoorlijke tijd om te wennen aan het idee dat hij niet oud zal worden. (Grappig, ik ken hem achttien jaar en vanaf de eerste dag heeft hij het vaak gezegd: "Ik word niet oud". Harry verkoos een kort, heftig en meeslepend leven boven een langdurig geklungel in de marge.)
Tien jaar voorkennis. Wat heeft hij ermee gedaan? Wat deed ik, als levenspartner ermee? Harry is geen prater, al helemaal niet over de gevoelige kanten van het leven, laat staan de akelige. En ik leerde te zwijgen, door schade en schande wijs geworden. Soms vertelde hij over zijn bezoeken aan het ziekenhuis. Soms niet. Vaak was hij buitengewoon vrolijk. Soms niet, dan sloot hij zich op in zichzelf.
Steeds vaker trof ik zeer vuile onderbroeken in de was en kletsnatte, ondergekakte lakens. Soms klaagde hij over pijnlijke schimmel in z’n mond. Eén keer toonde hij mij de kaposi-plekken op de huid van z'n scharminkelige, lange lijf. Het liefste had ik hem op dat moment stevig omhelsd, maar ik deed het niet, wetende dat hij daar niet van gediend was. Voor het overige werkt Harry keihard in zijn restaurant, zeven dagen per week. De laatste maanden met een verbetenheid die me beangstigt.
Het zijn koele notities. Ineens jaagt er een onrust door mijn lichaam die mijn handen doet trillen. Ik stop even met schrijven om te gaan plassen. Aan de bar drinkt een mooie neger koffie. Als ik hem passeer, kruist zijn onrustige blik een moment de mijne. Ik vind hem geil. Wie is hij, waarom zit hij daar? Als ik terugkom, is hij weg. Ik loop naar m'n tafeltje. Buiten valt de regen met bakken loodrecht uit de hemel. Binnen bekruipt me een gevoel van veiligheid, zoals ik dat als kind kende. Ik ontspan me en hervat het schrijven.
Harry en ik werken samen in zijn restaurant in Amsterdam. Hij is de eigenaar-kok, ik ben gastheer. We doen dat al jaren en hebben er veel levensvreugde aan ontleend. Tot voor ongeveer een half jaar. Toen ging het snel bergafwaarts in onze relatie. Voor mijn gevoel groeide er binnen Harry één groot negatief krachtenveld: ergernis, woede, haat, onbegrip, desinteresse, ongeduld, afstandelijkheid, afhouden, afbekken. Zuivere negativiteit die mij tot op de dag van vandaag omzindert, inkapselt en verlamt. Het maakt me wanhopig. Ik ben bang voor de toekomst.
Het is tijd om terug te gaan naar het hotel. Harry en ik hebben daar afgesproken, na zijn museumbezoek. Buiten regent het nog steeds. Het voelt prettig koel aan op m'n wat verhitte huid. Tegen een blinde muur zie ik de neger staan. Als ik langs hem loop, vertraag ik m'n pas. Ik blijf hem geil vinden. Hij kijkt weg en ik loop door richting hotel. Hoe zal ik Harry aantreffen? Een gevoel van beklemming bekruipt me.
Frank Yehudi
