De GAY Krant 320 - 22 november 1996 p. 17
Motor Sportclub Amsterdam heeft eigen hiv-commissie
"Vrijen met condoom is een 'dood'normale zaak"
Vooral in de leerwereld heeft de ziekte aids zijn sporen nagelaten. Iedereen heeft op z'n minst wel een kennis of een vriend die aan de gevolgen van aids is overleden. De MSA (Motor Sportclub Amsterdam) is onlangs, enkel voor leden, met een hiv-commissie gestart. "Het is beslist geen rouwverwerkingsgroep" , benadrukt bestuurslid Edwin Beer. "De hiv-commissie is voor hiv-geïnfecteerden of degenen die aids hebben. Voor rouwverwerking verwijzen we de mensen naar andere instanties. De hiv-commissie van de MSA wil absoluut geen duplicaat worden van het hiv-café in het COC of van de SAD-Schorerstichting. De MSA is onlangs een praatgroep gestart voor clubleden die met elkaar over 'het seropositief-zijn' van gedachten willen wisselen. De ervaringen die zij daarmee hebben. Wij hebben gemerkt dat leden van de MSA niet zo gemakkelijk over seropositief-zijn praten. 'Hoe ga je daarmee om?' De eerste reacties zijn gunstig. Een van de leden bijvoorbeeld vond het prettig dat hij nu in de club eindelijk zijn verhaal kwijt kon. De doelstelling van de hiv-commissie is de drempel van het 'ervoor uitkomen' te verlagen, zodat men binnen de vriendenkring van de MSA wat meer steun aan elkaar heeft."

Leendert Borsje kwam zeven jaar geleden bij de MSA. Hij is nu penningmeester bij de club. Als je Leendert vraagt wat de MSA aan rouwverwerking voor zijn leden doet, antwoordt hij: "Niets specifieks. Er is ons wel gevraagd om daaraan wat meer structurele aandacht te besteden. We moeten nog een weg zien te vinden hoe, waar en wanneer je dat onderwerp kan bespreken. Op een discussieavond hierover, gepland op zondagavond acht uur, komt niemand af. Terwijl op een feestavond dikwijls wordt gesproken over mensen die er niet meer zijn. Hieruit blijkt duidelijk dat er behoefte bestaat om met elkaar over de dood te praten. De nazit bij een crematie of begrafenis, met vrienden, zonder familie, heeft mij altijd enorme steun gegeven. Samen een borrel drinken. Op zo'n dag laten wij elkaar niet los."
Leendert vindt de 'hele heisa' die bepaalde mensen tegenwoordig voor hun begrafenis willen regelen wat te ver gaan. "Alsof ze er zelf bij zullen zijn. Ze vergeten één ding. De nabestaanden moeten troost en steun uit het afscheid putten. Samen een verlies verwerken. Maar om daar nou een hele grote gebeurtenis van te maken... nee! Bescheidenheid is in dit opzicht meer op z'n plaats, vind ik. Ik weet niet of mensen zullen rouwen om mij. Dat ligt eraan wat je voor anderen hebt betekend."
Edwin Beer: "Er zijn binnen de MSA geen vaste afspraken gemaakt hoe wij de vriend van de overledene zullen begeleiden. Ik heb wel de indruk dat, als beiden lid waren van de MSA, er wel degelijk aandacht is voor degene die achterblijft. Leden die lange tijd niet op de clubavonden zijn geweest, houden we in de gaten. Ze worden door ons benaderd. Op die manier willen we verhinderen dat ze op den duur vereenzamen. Sommige jongens voelen zich niet meer thuis binnen de MSA omdat ze al zoveel vrienden verloren hebben. Door aandacht aan ze te besteden, proberen we hen er weer wezenlijk bij te betrekken. "
Onbewust
Eind oktober vond de eerste bijeenkomst plaats met als thema 'Omgaan met verlies'. Edwin vertelt, om misverstanden te voorkomen, dat niet iemand een lezing hield over hoe je daarmee moet omgaan. "Het gegeven is er. Heb je behoefte om daar met elkaar over te praten? Prima! Wij zijn voorwaardenscheppend." Leendert: "We hebben binnen de MSA ontzettend veel ervaringsdeskundigheid. Zo'n bijeenkomst is heel informeel. Juist als je samen bent, komen er trieste dingen los. Spontaan bij iemand je emoties laten varen. Voorwaarden creëren om het zo ver te laten komen dat je je hart kan uitstorten."
In de weekends die geregeld door de MSA worden georganiseerd, komt het onderwerp onbewust ter sprake. "Doordat je op elkaar bent aangewezen. 's Avonds is het gezèllig. Maar overdag, als we relaxen, komen de verhalen los. Verhalen van vroeger. 'Ken je die nog?' Over die persoon doorpraten. Dat doe je niet zo gauw in de kroeg. Het werkt. 'Nu is rouwverwerking het onderwerp', zal je ons niet horen zeggen. In de eerste plaats gaat het om een gezellig weekend."
Edwin en Leendert zijn het erover eens dat er sinds het begin van de aidsepidemie een enorme eenzaamheid is ontstaan. Eenzaamheid die je in het uitgaanscircuit niet ziet. "Vroeger was er geen aids", zegt Edwin. "Er ging weleens iemand dood, maar vijftien jaar geleden was het leven meer een plezierwereld. Spannender. Je ging uit, kende elkaar. Broederschap! Er zat geen gezamenlijk drama achter. Nu kent iedereen in zijn omgeving wel iemand die aan de gevolgen van aids is overleden. Vooral mensen die wat ouder zijn, die al hun vrienden, jeugdvrienden met wie ze al dertig jaar optrokken, om zich heen zagen verdwijnen. Zij moeten nieuwe vrienden maken. Dat lukt hun niet meer. Die groep blijft eenzaam achter."
Leendert noemt het een soort eenzaamheid die niet is op te lossen. "Die eenzaamheid proberen wij binnen de MSA op te vangen. We noemen ons niet voor niets een vriendenclub. Je hoort bij elkaar, ook al is niet iedereen jouw vriend. We proberen iedereen wel bij de groep te betrekken. Achteraf blijken bepaalde personen heel anders te zijn dan men met vooroordelen soms dacht. Je kan een boel kennissen hebben, maar in je leven heb je maar twee of drie echte vrienden. Als het grootste deel van die kring overlijdt, val je in een gigantisch gat."
Leendert denkt niet dat hiervoor een grote kloof tussen jong en oud bestaat. "Wie bij de MSA jonge leden zijn, zouden bij een andere vereniging senioren heten. De jonkies zijn midden dertig. In de leerwereld speelt leeftijd geen rol. Geen onderscheid, dat vind ik een van de goede eigenschappen van de leerjongens. Het telt niet mee hoe oud je bent, ook niet als het over dit onderwerp gaat. Bij jongeren ligt de ervaring met de dood net zo moeilijk als bij ouderen. Ze krijgen al heel gauw op hun brood wat niet mag. Daarmee groeien ze op. De jeugd mist wat wij aan gemak hadden. Wij hadden vroeger andere problemen. Je was homo en kon daarmee niet naar buiten komen. Intern was het een heel gek wereldje. De jongeren groeien nu op met het gevaar van aids. Zij krijgen op seksgebied beperkingen opgelegd die wij destijds niet hadden. Op jonge leeftijd zien zij al vrienden wegvallen. Dat bestond niet in onze tijd."
Stoere mannen
Leendert Borsje was achttien jaar toen hij achter zijn identiteit kwam. De dominee had tijdens catechisatie het onderwerp homoseksualiteit aangeroerd. Leendert beschouwde zichzelf als een van hen. Niemand anders dan hijzelf mocht het weten. Contacten liepen via advertenties. Op zijn negentiende bezocht hij voor de eerste maal een nichtenkit: Het Uilennest in Haarlem. Een wereld ging voor hem open.
"Ik dacht de enige op de wereld te zijn. Zit daar zo'n hele zaal vol met mannen. De LL op de Elandsgracht in Amsterdam was de eerste leerbar waar ik kwam. Toen ik in 1993 op een leerparty in Chicago was, waar zesduizend leermannen rondliepen, zei ik hardop: 'Hoe kan ik nou ooit hebben gedacht dat ik de enige was?' Het zijn allemaal stapjes geweest. Als ik niet in Amsterdam was terechtgekomen, had ik al die leerkroegen gemist. Ik begon met een leren jack, een leren broek. Daarna probeerde ik dingen uit of wees ze af. Ik hield niet van jurken, enkel van stoere mannen. Die trokken mij aan."
"In de leerwereld gedraagt men zich stoer. Dat vind ik geil. Seks heb ik moeten leren. Geiligheid had ik al van mijzelf. Maar wat ik daarmee moest, was voor mij een vraagteken. Van nature had ik niet het gevoel: 'Zo moet het.' Alles kan, alles mag, met iedereen die er aardig uitziet, was mijn stelling. Vandaag de dag moet ik mezelf eigen maken: 'Alles kan zolang er maar een condoom tussen zit.' Ik hoop dat het voor mannen, die nooit anders gekend hebben dan met een condoom te vrijen, een 'dood'normale zaak is. Wij hebben nog altijd in ons achterhoofd: 'Je kunt ook zonder.' Deze generatie denkt daar niet bij na. Toen ik voor de eerste keer werd geneukt, vond ik het niet lekker. Totdat iemand me overhaalde. Ik heb het moeten leren. Nu je met condooms moet vrijen, zal ik het heel vreemd vinden iemand tegen te komen die mij beweegt dat achterwege te laten."
Militair
Edwin Beer heeft altijd zonder condoom gevreeën. Hij kwam vrij laat (dertig jaar) in de gayscene. Edwin was beroepsofficier aan de Militaire academie in Breda. "Erg macho", schampert hij. "Daardoor heb ik ook een heel andere instelling. Mijn standpunt over de MSA is heel anders dan die van de gemiddelde clubleden. Wat stringenter. Ik kwam uit een heel andere maatschappij. Bepaalde dingen vond ik niet lekker, die paste niet bij mij. Kussen bijvoorbeeld kwam bij mij 'nicht im Frage'. Ik ben nog een beetje wars van kussen. Geneukt worden vind ik nog steeds niet leuk. Dat hoort niet bij de mannelijke cultuur waar ik vandaan kom."
Met het ontdekken van de homowereld kwamen de (mannelijke) sekscontacten. Edwin was immers nooit eerder (bewust) met een man naar bed geweest. "Ik wilde me niet binden en ging met iedereen mee. Mijn voorkeur hadden oudere mannen. Die waren zo lief voor me, dat was ik niet gewend. Nadat ik mijn homo-zijn had geaccepteerd, moest ik leren met mijn beide poten op de grond te staan. Ik kwam in contact met iemand die in de SM-sfeer zat. Van die wereld wist ik niets. Verlangens en gedachten daarover had ik wel, maar ik wist niet dat dat allemaal kon. Totdat ik een man tegenkwam die zei: 'Laten we het op die manier doen'''.
Dertig jaar geleden leerde Edwin in het DOK zijn vriend kennen. De leerscene had hij zich al eigen gemaakt. In de eerste acht jaar van zijn relatie repte Edwin met geen woord met zijn vriend van zijn verleden. "Wij waren stapelgek op elkaar. Ik praatte niet over de leerwereld. Ik dacht dat daar een taboe op lag. Na acht jaar wilden wij wel iets meer in onze relatie. Ik sprak iemand uit de leerscene. Die zei: 'Als jij die verlangens nog altijd hebt, moet je die aan je vriend vertellen.' Bij mijn partner kwam het duveltje in hem boven, toen ik hem in de leerscene introduceerde. Hij was achter in de twintig toen hij de hemel had ontdekt. De nichtenscene vond hij maar een truttenwereld."
In Memoriam
Edwin Beer schrijft verhalen in De Koplamp, het maandblad van de MSA. Op pagina twee wordt bij het overlijden van clubleden een In Memoriam door de partner of een goede vriend geschreven. "Het is belangrijk", vindt Edwin, "dat mensen die ziek zijn door de MSA in de gaten worden gehouden. Wij gaan erheen. Op zo'n moment laten we zien dat we vrienden zijn." De leer-macho-uitstraling die zij hadden, het plaatje van de mooie opgedofte jongen, die stoere vent die ze waren, valt weg op het moment dat ze ziek zijn. Die jongens trekken zich terug. 'Als buitenstaanders weten dat ik aids heb, tel ik niet meer mee', is hun redenering, 'Ik ben niet meer mooi, minder interessant', is hun tweede argument. 'De overblijvers laten mij vallen', is hun angst. Een tweespalt: de angst en de behoefte. De één durft voor zijn seropositief-zijn uit te komen, de ander zegt het niet. Wij laten ze beslist nooit stikken. We nemen geen genoegen met de ziekte aids."
"Als de MSA een rouwkaart binnenkrijgt, proberen we de directe omgeving van de overledene zo snel mogelijk te waarschuwen, zodat de vrienden bij een crematie of begrafenis aanwezig kunnen zijn. De In Memoriam volgt daarna in de eerstvolgende Koplamp. De MSA houdt zich op de achtergrond. We houden rekening met de familie. Maar als de familie ons bepaalde signalen geeft, komen we wel in actie. Eén keer heeft de familie van een overleden clublid een beroep op de MSA gedaan. De man had zoveel bindingen met de MSA, dat ons werd gevraagd de begrafenis te verzorgen." Een escorte door clubleden op motoren tijdens de uitvaart werd tot volle tevredenheid van de nabestaanden uitgevoerd.
Een ander voorbeeld was de rouwcirculaire van Rob Leather, leershop/galerie aan de Weteringschans. Daarin stond onderaan de wens van de overledene: 'Graag in leer met motoren'. De MSA-leden voldeden aan het verzoek en verschenen op de plechtigheid allen in vol ornaat. "Die saamhorigheid is daar ter plekke", zegt Leendert. "De MSA wil zich tijdens het rouwproces niet opdringen. We blijven ons bescheiden opstellen, maar in onze gedachten zuIlen we onze vrienden gedenken", aldus Edwin. Als besluit licht hij nog een keer de noodzaak van de hiv-commissie toe. "Wat wij met de hiv-commissie beogen, is dat je met simpele dingen heel veel voor de ander kan betekenen."
Rob van den Berg
