Drugspastoraat Nieuwsblad 168 (2004) p. 7-10
In memoriam
begraven in Amsterdam, begraafplaats St. Barbara, 30 augustus 2004.
Zoals ik Willem heb gekend en ook zoals ik zijn vrienden over hem hoor praten, had hij iets bijzonders. Hij was typisch zo iemand over wie je alleen in een soort van tegenstellingen kunt praten. Willem was een type mens waarvan je op gegeven moment kon zeggen: Ik weet zeker dat hij mijn portemonaie gepikt heeft, maar toch kan ik niet boos op hem zijn...
Een man dus die je op het ene moment in alle staten kon krijgen, om je daarna toch weer te ontroeren, met een grap, met een goedmaker.

Ik herinner me hoe hij zich, in voorbereiding op onze reis naar Lourdes, vóór die reis helemaal klem geslikt en gerookt had. Hij dacht, ja ik moet een week zonder dus ik neem maar flink wat vantevoren. Tot aan de parkeerplaats in België ging het nog goed, maar daarna lag hij helemaal voor apegapen achterin de bus. Kon geen woord meer zeggen en zat alleen te emmeren: 'Ik ben zo ziek, ik ga kapot; waarom doen jullie me dit aan. Ik ga nooit meer naar Lourdes.' In Lourdes moest ik de man in een rolstoel de heuvel op sjouwen. En hij was echt hondsberoerd, maar niet te beroerd om de hele zooi bij elkaar te schelden. Met mij erbij. Het duurde vier dagen schelden op alles en iedereen, inclusief een driedaagse ziekenhuisopname, om hem weer een beetje normaal te krijgen. Toen kwam hij naar me toe en zei: 'Hé Gerson, ik heb toen wel lelijk gedaan, maar bedankt voor het duwen. Ik geef het je te doen, zo heuvel op en af met mij in een karretje, dat moet ook geen pretje zijn.
Zo kende ik Willem: grote mond, dingen doen die echt niet kunnen, maar uiteindelijk er toch wel doorheen laten schemeren dat hij zich van binnen ook maar een hopeloos stukje mens voelde. Voor mij was dit een deel van de charme.
Maar wat kon hij koppig zijn, en eigenwijs, en dwars ... En daar doorheen dan toch die ongelofelijke humor. Zwarte humor vaak.
Kwam ik hem tegen in de Veste: "Ja Gerson, je moet nu maar eens komen, ik ben namelijk ziek - keelkanker." Ik onder de indruk: "Jeetje, Willem, dat lijkt me wel een klap." "Jawel, maar ik laat me niet klein krijgen, ik blijf gezwellig hoor." Ik lachen en dan zei hij: "Ja, ik mag dan wel kanker hebben, mijn gevoel voor tumor raak ik niet kwijt hoor!"
En zo kun je uren doorgaan.
Maar Willem had spijt van een hoop dingen die fout waren gegaan in zijn leven en die hij niet meer kon goed maken. Ook wist hij niet meer hoe hij erover moest praten. Hij sloot het af. Enkelen hebben er iets van mee mogen maken. De spijt om wat hij de familie had gedaan, het verspelen van geld en relaties door en voor de dope, de pijn die dat gaf, de pijn ook om de dood van zijn broer en zijn moeder. Hij heeft er niet veel over gepraat. Maar het leefde in hem. Ik denk dat de felheid waarmee hij op God en geloof af gaf, een teken was dat hij er wel mee bezig was, maar niet goed wist hoe.
In ieder geval wilde hij nog eens naar Lourdes, en dan ook om de grot te zien en Maria. En op het laatst zei hij, je we moeten nog eens praten want in verband met dat hij ziek was en zo. Dat gesprek is er niet meer gekomen. Ik vermoed echter wel wat eronder zat: was het angst om te sterven en wat daarna komt? Was het - al zou hij het denk ik zelf NOOIT zó zeggen - de behoefte aan troost en vergeving?
De tekst die we gelezen hebben viel toevallig open in de bijbel van Otto toen hij hem in het ziekenhuis had opgezocht: Uw hart worde niet ontroert. In het huis van mijn Vader zijn vele woningen.
Jezus zegt dit tegen zijn volgelingen een paar dagen voordat hij zal sterven. Zijn vrienden denken hoe moet dat nou verder met hem? Hoe moet het verder met ons?
Jezus troost hen met deze uitspraak die ik zo interpreteer: laat je niet meeslepen door je verdriet, of door je onzekerheid over wat er met mij en met jou gebeuren gaat. In de liefde van God is plaats voor veel mensen. Wij hebben onze emoties en verhalen, God kent ze. Het is niet aan ons om over het verhaal van de ander een eindoordeel te spreken. Het is niet aan ons om iemand in onze hokjes in te delen met onszelf erbij. Het is aan God om ons in zijn huis met zijn vele woningen op te nemen.
Willem en vele dierbaren zijn ons op die weg voorgegaan. We bidden dat zij, dat Willem, door de liefde van God gekend wordt en daar zijn thuis vindt.
In vrede voor hem, tot vrede voor ons.
pastor Gerson
In de uitvaartdienst las Biance het volgende gedicht van Jacob Israël de Haan.
'Danklied'
Elk jaar heeft eigen vreugden
Elk lied heeft eigen klank
Voor al wat mijn hart verheugde,
O, God, geef ik u dank.
Ik heb een land verlaten
Van water, wind en zonneschat.
Een Stad waar elk der straten
Zoo rijk is als een stad.
Ik heb een land gewonnen
Van bloemen, ooft en wijn,
Waarom de diepe bronnen
De dalen vruchtbaar zijn.
Verloren of gewonnen:
Ik neem van U mijn lot.
Gezuiverd en bezonnen
Geef ik mijn Lied aan God.
