Martin Scheepers HERDENKING

Martin Scheepers


14 November 1985, Amsterdam

danser en regisseur,
binnenhuis-architekt

HERDENKING
HET LEVEN IN BEELD
NALATENSCHAP

De GAY Krant 176 - 6 april 1991 p. 31-32

'Aids moet alle aandacht blijven houden'
Oud-mannequin schrijft boek over ziekte van haar broer

BOXTEL - Angst, hoop, radeloosheid, liefde voor haar broer en een waarschuwende vinger voor iedereen die seks heeft. Dit behelst het boek dat Pola van der Donck-Scheepers (65) uit Boxtel, schreef over de ziekte van haar broer Martin. Hij kreeg aids in 1984, toen er in Nederland nog weinig bekend was over deze ziekte en overleed in het jaar daarna op 55-jarige leeftijd. Van der Donck, die een carrière als mannequin achter de rug heeft, beschreef de hele lijdensweg van de diagnose tot de dood. 'Martin, mijn broer' wordt op 24 april gepresenteerd in het AMC te Amsterdam. Martin was sterdanser van het Ballet van de Nederlandse Opera. Later verhuisde hij naar New Vork en regisseerde opera's van onder anderen de grote diva Joan Sutherland.

"Op een gegeven moment belde hij op dat hij zich niet goed voelde. Ik wist meteen dat hij aids had. Vanaf de eerste berichten over aids in de kranten maakte ik me al zorgen. Hij was immers homoseksueel en hij woonde in New York. Hij kwam logeren en zag er ontzettend slecht uit. Hij kreeg diarree en al snel moest hij, terug in Amerika, de beruchte diagnose incasseren. 'Waarschijnlijk hebben we binnen drie maanden een geneesmiddel gevonden'. heette het toen. Als we toen zeker hadden geweten dat een medicijn nog lang niet in zicht was, hadden we veel dingen anders gedaan", vertelt Van der Donck. "Ik had Martin dan niet aan allerlei experimenten mee laten doen van artsen die nauwelijks wisten waar ze mee bezig waren."

"Toen Martin echt ziek werd, kwam hij weer bij me. Toen werd hem verteld dat ze in Parijs waarschijnlijk een middel gevonden hadden. Hij moest drie maanden naar Frankrijk, zodat hij daar iedere dag een injectie kon krijgen. Het was een ramp. Zijn situatie werd er alleen maar slechter op. Er ontstond bloed afbraak en hij had transfusies nodig. Hij verloor ook veel bloed. Zelf kwam ik een keer bij hem op de badkamer en zag een enorme rode plas liggen. Alles zat onder en Martin bloedde maar door. Ik heb het met mijn blote handen opgeruimd. Ik dacht: Als ik nu ergens een wondje heb en ik word besmet, dan heeft het zo moeten zijn'. Toen Martin overleden was, heb ik de test ook gedaan; niets aan de hand", zegt Van der Donck.

Maatregelen
"In het begin werden er ook voorzorgsmaatregelen genomen om besmetting te voorkomen, die niet nodig waren geweest. Zo had Martin zijn eigen bestek en zoende ik hem niet meer op de mond. Er was nog zo weinig over bekend. We wisten nog helemaal niet of het virus door speeksel overgebracht kon worden. Martin begreep dat gelukkig volkomen en als het aan hem had gelegen, werden er nog meer veiligheidsmaatregelen in acht genomen."
Van der Donck zou nu ook meer open geweest zijn over de ziekte van haar broer. 'Ik vertelde verschillende vrienden en familieleden hoe de zaak ervoor stond. Daarbuiten wist niemand dat Martin aids had. In de straat werd me gevraagd of mijn broer ziek was en dan moet je wat zeggen. 'Ja, mijn broer heeft longkanker'. Het was niet goed, ik weet het, maar ik was bang dat ze me zouden mijden en dat er over ons gekletst zou worden. Dat is achteraf belachelijk', zo schrijft ze in haar boek.

"Wat ik ook jammer vind is dat er nooit echt over de dood is gepraat tussen ons. We hadden een geweldige relatie. We praatten over vreselijk veel, behalve over dat, terwijl dat zo belangrijk is. Misschien kwam het ook doordat we steeds hoop hadden. We wilden positief blijven denken en Martin was daar geweldig in. Als je het dan uitgebreid over sterven gaat hebben, dan is dat natuurlijk heel negatief." Van der Donck zegt dat ze het boek niet geschreven heeft om alles van zich af te schrijven. "Dat is voor mij de manier niet. Ik zal het nooit helemaal van me af kunnen zetten. Het schrijven van een boek doet daar weinig of niets aan af. Wat ik wil is er voor zorgen dat de aandacht op deze ziekte gevestigd blijft. Mensen moeten zich realiseren dat iedereen deze verschrikking kan overkomen, dat mensen veilig blijven vrijen. Ik heb het geschreven voor jongeren, maar zeker ook voor hun ouders. Veel mensen zien aids nog als een soort 'Ver-van-mijn-bed-show'. 'Ik ben geen homo', hoor je dan wel zeggen. Zo krijg je dat mensen risico's nemen en dat is vreselijk. Daarom hoop ik dat ook veel heteroseksuelen mijn boek gaan lezen. Misschien brengt ze dat net over de grens om voorzichtig te zijn met seks."

Buck
Van der Donck ergert zich nog het meest als er valse hoop gegeven wordt, zoals dat met de affaire Buck gebeurde. "Op een gegeven moment vertelde die professor voor de televisie dat hij er van uitging dat het probleem snel opgelost zou worden. Hij realiseerde zich waarschijnlijk niet, wat hij aan zou richten. Ik kreeg allerlei telefoontjes: 'Oh Pola, ik hoef het nog maar anderhalf jaar vol te houden en dan ben ik gered'. Het is verschrikkelijk om zo iemand dan weer met beide benen op de grond te moeten zetten. Je zou natuurlijk het liefst meejuichen, maar ik wist dat er nog niemand genezen was en dat er al zo vaak iets in de reageerbuis is gevonden. Nu wordt er in Néderland iets ontdekt en dan staat alles ineens op stelten. Het kón gewoon niet wat er op het journaal werd beweerd."
Van der Donck ziet de toekomst ook somber tegemoet als het gaat om een antwoord van de medische wereld. "Ik ben geen arts en ik wil ook bij niemand hoop wegnemen, maar ik geloof niet dat er een wondermiddel zal worden gevonden. Voor kanker zoeken ze ook al tientallen jaren. Maar, zolang er leven is, is er hoop."

Wat Van der Donck het meest in Martin zegt te bewonderen, is dat hij nooit klaagde. "Het is onvoorstelbaar dat hij altijd zijn goede humeur heeft behouden. Ondanks zijn vreselijk lijden, ondanks het feit dat hij van ziekenhuis naar ziekenhuis werd gesleept. Hij lag op een gegeven moment in het Groot Ziekengasthuis in Den Bosch. Daar wilde het personeel hem op een gegeven moment niet meer verplegen. Ze waren bang om besmet te worden. Hij moest maar naar het AMC in Amsterdam. Ik koester geen wrok tegen die mensen. Ze wisten zich gewoon niet goed raad met de situatie. Het personeel was niet goed voorgelicht. In het buitenland was het nog veel erger. In New York waren ze panisch en in Parijs moest je dagen wachten, zeuren en uiteindelijk drama maken om er voor te zorgen dat Martin eindelijk een bloedtransfusie kreeg."

"Toen ik hem bij mij thuis verzorgde, had dat een veel beter effect op hem. Hij at namelijk heel slecht in New York en ik ging extra opletten dat hij goede voeding binnen kreeg. Ik zorgde voor uitgebalanceerd eten en dat hij vooral alle vitaminen en mineralen binnen kreeg. Hij kwam bij mij als een wrak, dat nog geen pas kon zetten. Binnen drie weken gingen we samen op de fiets naar de markt". vertelt Van der Donck.
"Thuis bleef Martin veel naar muziek luisteren. Joan Sutherland was zijn favoriet. Hij had ook een uitstekende band met haar. Ik heb het haar wel kwalijk genomen dat ze niet naar de rouwdienst voor Martin in New York is gekomen. Ze was wel in de stad, maar is toen plotseling naar Genève gevlogen omdat ze de confrontatie niet aandurfde met de allerbeste vriend die ze ooit gehad heeft. Die rouwdienst ging sowieso niet bepaald op rolletjes. De pastoor van de kerk weigerde de mis te doen. Hij wilde geen dienst houden voor al die homoseksuelen. En ik maar denken dat priesters de menselijkheid zo hoog in hun vaandel hadden staan..."

Het meest vreselijk vond Van der Donck dat zij in het laatste stadium een beslissing moest nemen over euthanasie. "Op een gegeven moment was Martin niet meer in staat om vragen te beantwoorden. Het medisch personeel van het AMC vroeg of ze de behandeling moesten stopzetten. Hij stond weer voor een longontsteking en had vocht achter de longen. Dat laatste konden ze nog wegnemen. Op een gegeven moment zei ik: 'Doe het maar. Maak er maar een eind aan'. Met die beslissing zal ik nooit met mezelf in het reine komen. De dokters zeiden dat Martin er niets van zou merken, maar hij is een hele dag en nacht bezig geweest met dood gaan. Ik denk wel dat Martin het er wel mee eens geweest zou zijn. In het begin hebben we het er wel eens over gehad. Hij zei; 'Als ik een plantje wordt, moet er een einde aan gemaakt worden'. Wat hij de laatste dagen heeft gevoeld en gedacht, weet ik jammer genoeg niet."

De overval
Vlak voordat de euthanasie-kwestie speelde, is Van der Donck overvallen op het station in Boxtel. Dat beschrijft ze ook in haar boek. 'Ik ging meestal met de trein naar Martin in Amsterdam toen hij in het ziekenhuis lag. Ik was bang in de wagons. De reden daarvoor was wat me eerder overkwam. In de tunnel van het Boxtelse station, grepen twee pubers naar mijn tas. Ik had natuurlijk meteen los moeten laten, maar ik hield de tas stevig vast en ik schreeuwde het uit, maar er was niemand. Ik viel met mijn knieën op een tree van de trap en toen ging één van die jongens met zijn voet op mijn linkerhand staan en draaide zijn hak. Hij schopte me ook verschillende keren tegen mijn borst. Later bleek dat ik drie ribben had gekneusd', aldus Pola van der Donck in haar boek. "Ik vond het vreselijk dat dit er nog bij kwam, vooral omdat ik het niet voor Martin kon verbergen. Ik wilde 's avonds ook eerder weg uit het ziekenhuis, zodat ik niet zo laat op het station zou aankomen. Gelukkig begreep hij dat. Martin was zo begrijpend met alles."

"In die tijd was er ook nog dat gedoe met de erfenis. Een vriend uit Amerika bleef maar bij Martin zeuren dat hij zijn testament moest veranderen. Hij kwam iedere keer aan zijn bed met dezelfde vraag. Op een gegeven moment deed Martin het. Ik heb nog steeds mijn geld niet gehad, terwijl ik ook in het laatst getekende testament stond. Maar als je echt wil gaan procederen in de Verenigde Staten kost dat handen vol geld. Daar hebben ze natuurlijk op ingespeeld. Maar ik maak me er niet zo druk om."

'Niet natuurlijk'
Wat Van der Donck niet in haar boek heeft geschreven, maar waar ze wel een duidelijke mening over heeft, is homoseksualiteit. "Uiteraard respecteer ik alle homo's, maar mensen moeten niet zeggen dat het normaal is. Het is namelijk niet natuurlijk. Ik ga bij dat soort dingen altijd uit van de natuur. Ik heb bijvoorbeeld nooit twee mannelijke - of twee vrouwelijke konijntjes het met elkaar zien doen. Nee, ik heb daar geen onderzoek naar gedaan, maar ik geloof echt niet dat dat bestaat."
Wat Van der Donck wel schreef, is een zeer emotioneel epistel. Ze is er een jaar mee bezig geweest. "Ik pretendeer helemaal geen hoogstaande literatuur afgeleverd te hebben. Het is gewoon mijn verhaal, met gedrevenheid geschreven." Ze zegt dat het ook geen medische verhandeling is en dat ze geen arts is, maar ze verwerkt er wel een hoop gezondheidstips in. "Het zijn dingen waarvan ik weet dat ze een goed effect op Martin hebben gehad. Dat is gewoon op basis van mijn eigen ervaring."
Het schrijven van het boek heeft een jaar gekost. "Op een gegeven moment werd ik door een uitgever benaderd. Ik was al op televisie geweest en op de radio. Ik vond het een goed idee."
Van elk exemplaar dat verkocht wordt, gaat er een gulden naar het Aids Fonds.

Harald Roelofs

'Martin mijn broer' wordt op de markt gebracht door uitgeverij Kwadraat. ISBN 90.64.81.145.8