Franciscus Gerardus Petrus Kellendonk
romancier, essayist en vertaler
romancier, essayist en vertaler
GAY Krant 150 - 3 maart 1990 p. 25
Frans Kellendonk: het korte leven van een moderne moralist
AMSTERDAM - “Leven zonder ideeen is niet mogelijk. Ideeen en illusies zijn de enige manier om je tegen het ‘schrikbewind van uur en feit te verzetten.’” is een uitspraak van de romancier, vertaler en essayist Frans Kellendonk. Op 39-jarige leeftijd is hij onlangs na een langdurig ziekbed overleden aan de gevolgen van aids. Frans (Franciscus Gerardus Petrus) Kellendonk, geboren 7januari1951 te Nijmegen, werd opgevoed in een katholiek milieu.

In 1969 verspreidde hij onder het pseudoniem Kelly een gestencild boekwerkje ‘Het reuzenrad’ onder vrienden, bekenden en enkele leraren van zijn school. Het telde vijf verhalen, vijfentwintig bladzijden en vijf pentekeningen van de auteur zelf. Na zijn examen aan het Gymnasium St. Dominicus in de Keizer Karelstad studeerde hij van 1969 - 1975 Engelse taal- en letterkunde aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen en aan die van Birmingham en Londen. In 1978 promoveerde hij op de dissertatie ‘John & Richard Marriott, The History of a Seventeenth-century Publishing House’. Van 1978 - 1983 was Kellendonk met onder anderen Doeschka Meysing, Nicolaas Matsier en Dirk Ayelt Kooyman redacteur van De Revisor, terwijl hij ook jarenlang literatuur doceerde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.
Tevens was hij enkele maanden als gastschrijver verbonden aan de Rijksuniversiteit van Leiden, waar hij colleges over Vondel gaf. Zijn literaire debuut maakte Kellendonk in 1977 met de bundel ‘Bouwval’, bestaande uit drie verhalen waarin de motieven verbeelding en werkelijkheid een belangrijke rol spelen. In het titelverhaal ervaart Ernst, een jongen van tien, die er altijd van gedroomd heeft zijn grootvader als ‘bouwheer’ op te volgen, hoe de werkelijke verhoudingen in zijn familie zijn. In ‘Achter het licht’ beleeft Miss Troostig, een travestiet, een totale ontluistering. De verhalen vielen op door de trefzekere stijl, waarin de gebeurtenissen zijn beschreven. Voor de bundel kreeg Kellendonk de eerste door de gemeente Harlingen ingestelde Anton Wachter Prijs. De vertelling ‘De nietsnut’ uit 1979 bevestigde Kellendonks schrijverschap. In dit werk volgt een zoon het spoor van zijn vermoorde vader, waarbij hij in deze ‘queeste’ naar de essentie van zijn vaders persoonlijkheid zichzelf ontdekt.
In 1981 - 1982 verbleef Kellendonk als ‘writer in residence’ aan de Universiteit van Minnesota in de Verenigde Staten en vertaalde uit het Engels onder meer ‘Een sentimentele reis’ van de auteur Laurence Sterne. Eerder leverde hij de vertaling van ‘De ebbehouten toren’ van John Fowles. In 1982 publiceerde Kellendonk een moderne variant van een spookverhaal, ‘Letter en geest’. De hoofdpersoon, een dertiger, wil door een baantje als bibliothecaris uit zijn isolement raken, maar ziet zichzelf steeds meer tot een levende schim evolueren. Het jaar daarop kwam de verhalenbundel ‘Namen en gezichten’ op de markt, waarin opnieuw de spanning tussen werkelijkheid en fictie op de voorgrond treedt.
In 1986 verscheen Kellendonks roman ‘Mystiek lichaam’, door velen geroemd als een briljante ideeenroman. Een ongewoon boek, een ‘moderne moraliteit’, met dood, katholicisme, homoseksualiteit, racisme en kunst als de belangrijkste thematische lijnen en waarin onder anderen een terminale aidspatient en een gierige jood figureren. Andre Matthijse schreef er in de Haagsche Courant onder meer over: ‘... En Broer tenslotte is bij mijn weten de eerste homo in de Nederlandse literatuurgeschiedenis die na het mislukken van zijn speculaties met beeldende kunst ook nog tegen de ziekte aids aanloopt; sterker: daar ook nog een metafysische betekenis aan weet te geven. Met andere woorden: Kellendonk tovert zijn lezers een monstreus pandemonium voor, waarvan het heerlijk genieten is en waarom veel te lachen valt. Weer eens een heus leesboek! En nog literair verantwoord ook.” ‘Mystiek lichaam’ werd het middelpunt van een rel in de Nederlandse letterkunde. Door sommige critici werd het beschouwd als antisemitisch, terwijl het ook een zwart beeld van de homoseksualiteit zou geven. Dan blijft wel de vraag: waarom heeft een ‘homoseksuele schrijver’ niet het recht ‘schril of zelfkastijdend’ over homoseksuelen te schrijven? Kellendonk zelf wees de kritiek altijd scherp van de hand. ‘Mystiek lichaam’ werd ondanks de commotie toch wegens de literaire kwaliteiten bekroond met de Bordewijk-prijs 1986 van de Jan Campert-stichting. Aan de eigenlijke problematiek van het boek werd voorbijgegaan. Om daar kennis mee te maken diende de essaybundel ‘De veren van de zwaan’ (1987). Hierin pleitte Kellendonk voor een literaire houding die hij ironie of ‘oprecht veinzen’ noemde. Kellendonk gold al sinds zijn debuut als een buitengewoon knap stilist. Hij noemde zich per se geen realistisch schrijver, maar wilde verhalen schrijven waarin vorm en inhoud een waren. Literatuur moet volgens hem vragen stellen. In 1984 zei hij in een interview met De Volkskrant: “Literatuur moet ons uit onze zelfgenoegzaamheid wakkerschudden.”
De critici hadden hem ingedeeld bij de ‘academische schrijvers’. Kellendonk probeerde in zijn literaire werken een eenheid te scheppen, een soort zin te ontdekken die achter feiten ligt; een soort wereldbeeld, maar dan concreet, niet iets wat in een of twee zinnen te formuleren is, maar door situaties is te onderzoeken. De enige geoorloofde kunst is in Kellendonks opvatting slechts die kunst, die juist ingaat op de uitdaging van het mysterie en die derhalve eerlijk uitkomt voor haar kunstmatigheid. Een van de geëigendste middelen van de auteur om zijn kunst onecht te laten zijn is het gebruiken van ironie. De boeken zijn een afgewogen mengeling van constructie en mysterie, van cerebraliteit en emotionele conflictstof. De hoofdfiguren zijn eenlingen, die opgesloten zitten in een soort duisternis. Zij zijn losgeraakt van de vorige generatie. De feiten uit hun voorgeschiedenis voegen zich aaneen tot een onontkoombaar lot, maar niet tot een zinvolle bestemming. Hun verbeelding moet hen redden uit een leegte. Daardoor ontstaat een conflict tussen de verbeelding en de eisen van de werkelijkheid. In de personages beeldde Kellendonk uit, hoe illusionair het leven kan zijn. Tegelijk maakte hij zich vaak vrolijk over veel uitingen van onze cultuur. Een moralist was hij, die zijn lezers een lachspiegel voorhield. In Hervormd Nederland uit 1987 zei Kellendonk dat “onze beschaving slechts een gammele brug over een diepe afgrond is”. Hij was niet bang, in de afgrond te kijken. Ook niet in de afgrond van de menselijke natuur. En daar trof Kellendonk niet veel goeds aan. Een van de redenen waarom hij het katholicisme zo slecht nog niet vond, is het daarin aanwezige besef van de realiteit van het kwaad. Kellendonk prefereerde in dit opzicht het katholicisme boven het humanisme van Rob Tielman en het Humanistisch Verbond. Daarom kon hij het in 1987 in de Haagse Post opnemen voor Simonis’ opvattingen over homoseksualiteit tegenover wat hij noemde ‘De kinderen van het licht’, de in de traditie van de Verlichting opgegroeide humanisten.
Eind vorig jaar werden vier reisreportages over de Verenigde Staten, de Sovjet Unie en Berlijn gebundeld onder de titel ‘De halve wereld’. In de slotalinea schreef Kellendonk: “De kunst is lang, het leven kort. Deze uitspraak stamt niet van een ingebeelde oude dichter, zoals ik tot voor kort meende, maar van Hippocrates, die geneesheer was en het dus weten kon”. Het leven van Frans Kellendonk was kort. De auteur werd evenals zijn creatie Broer uit ‘Mystiek lichaam’ het slachtoffer van aids. Kellendonks kunst is lang.
Frits Enk
