Lefert Scheeper
onderwijzer
medewerker COC Alkmaar
onderwijzer
medewerker COC Alkmaar
De GAY Krant februari 1985 p. 4-5
Over AIDS moet jammer genoeg nog veel gesproken worden
Lefert Scheeper (35) stierf op 14 december 1984. In zijn laatste dagen besprak hij met zijn vriend Reijer Breed de wens dat deze na zijn dood niet zou mogen zwijgen over de ware overlijdensoorzaak: AIDS.
Daarom verscheen er een overlijdensadvertentie waarin deze ziekte met name werd genoemd. Vandaar ook het interview met Reijer in De Volkskrant waarin hij het verloop van het ziektebeeld van Lefert beschreef.
Voor De GAY Krant schreef Reijer deze zeer persoonlijke bijdrage. Omdat zijn overdenkingen waardevol zijn voor ieder van ons, zal Reijer deze tekst ook aanbieden aan Homologie en Sek: Over AIDS moet immers jammer genoeg nog veel gesproken worden.

Dat telepatie bestaat is zeker. Maar het fijne weet ik daar niet van. Wel is het zo dat op het moment dat ik Henk Krol belde, hij mij zei: ‘Verdomd joh, ik heb net je telefoonnummer laten opvragen bij de inlichtingendienst. Hoe is het mogelijk. Want na het lezen van jullie artikel in de Volkskrant van 12 januari jl. waarin je je verhaal deed over je vriend Lefert, z’n longontsteking en AIDS, je afschuwelijke ervaringen en de reakties die je kreeg, was ook ik onder de indruk. De deadline van De GAY Krant is volgende week en we willen er iets aan doen’.
Hoewel Lefert en ik De GAY Krant maar zelden lazen, vind ik dit moment de discussie hierover totaal niet belangrijk.
We zoeken elkaar op. Gelijk hebben we. Het spook AIDS hangt naast diverse andere risikogroepen - jammergenoeg heel konkreet - boven ons: homoseksuele mannen.
Een ‘in memoriam’ vind ik wat Lefert betreft iets afschuwelijks. Wij haatten termen als ‘diepbedroefde nabestaanden’, ‘rouw-plechtigleid’en ‘uitvaartcentrum’ altijd al.
Nee, ik besluit en nu zonder Ineke van den Bergen, die bij de VPRO-radio werkt en voor de Volkskrant schrijft; mijn vriendin, zonder wie ik nooit die pagina in dat landelijke dagblad had aangedurfd, voor jullie Gay-krant-lezers zelf iets over Lefert’s overlijden te schrijven. En hier zit ik nu achter mijn schrijfmachine.
Taalkundig gezien zal het hier en daar niet kloppen. Verleden tijd en tegenwoordige tijd haal ik steeds door elkaar. Maar dat is nu eenmaal het stadium waarin ik verkeer. Gevoelens op nul. Daar ga ik. Ik heb het Lefert beloofd.
Op vrijdag 13 juni 1973 kom ik vanuit Amsterdam met de trein in Wormerveer aan, loop het station uit en zie de gezellige verlichte ramen van de Wormerveerse Sociëteit; een bar beneden en een zaal erachter waar altijd gymnastiekuitvoeringen en operette-avonden gehouden worden. Ik zie dat ook in de bovenruimte lichten branden. Ik krijg pijn in m’n buik en begin te trillen. Want ik realiseerde mij ineens dat een brutale oudere nicht me die afgelopen week in de trein vertelde, dat die trouwring die hij droeg niet gedeeld werd door een mevrouw met datzelfde symbool, maar met een vriend.
Daarna vertelde hij mij dat die vrijdagavond daarop een COC-soosavond plaats zou vinden. Dat dat heel gezellig was. Dat ik ook moest komen. Ineens sta ik met kloppend hart voor de ramen te kijken of er geen buurmannen van mij aan de bar zitten. Het volgende moment loop ik naar binnen Zie het bordje ‘COC trap op’. En ik zit aan een kleine bar. Toch wel iets teleurgesteld, want er zijn maar drie jongens aanwezig. Een lief slank aantrekkelijk jongetje, een wazig tiep dat ik me niet meer kan herinneren en achter de bar een knap blond stuk, dat naar mij toekomt en vraagt wat of ik wel niet wil drinken. ‘Een pilsje graag’, zeg ik en voel me belachelijk in mijn jeanspak. Hij ziet er zo goed uit in z’n spijkerbroek en z’n geruite overhemd, terwijl hij die mooie blonde borsthaartjes zo mooi laat zien. Tijdens z’n bardienst doet hij gelijk even de ‘opvang’.
‘Waar kom je vandaan?’ ‘Ik woon hier vlakbij in Wormerveer’. ‘Wat doe je voor werk?’ ‘Ik werk bij ABC Press Service in Amsterdam. Dat is een persbureau. Ik heb overgewerkt’.
‘Weten je ouders dat je homoseksueel bent?’ ‘Nee’.
Later wordt het gelukkig heel druk. Na afloop besluiten we bij de hospus; een vioolleraar, van de blonde barman nog een drenkje na te nemen.
COC-figuur
Lefert, want die was het natuurlijk, is inmiddels ladderzat. Hij fluistert, zodat iedereen het kan horen, met z’n dubbele tong: ‘Blijf je bij me slapen?’
Ik vind het bespottelijk. Zo’n COC-figuur toch. Wat denkt hij wel. Zo goedkoop ben ik niet. Dat nooit!
De volgende avond, als ik hem heb opgezocht, sexen we voor het eerst.
Van twee onnozele bange nichtjes, hij 24 en ik 22 jaar, zijn we, vooral door ons werk in het COC, opgegroeid tot wat we nu waren en ik nog ben: twee redelijk intelligente strijdbare flikkers. Ieder met z’n eigen kwaliteiten, op totaal verschillende vlakken, aktief in en voor de homobeweging.
‘Waarom steken we toch zoveel energie in die homostrijd? Postzegels verzamelen is toch ook leuk?’ Tijdens ontelbare nachtelijke discussies met elkaar kwamen we steeds weer terecht bij dat ene, voor ons, juiste antwoord, dat slechts uit één woord bestaat: WOEDE.
Kwaad omdat de een tien keer zoveel verdient als de ander. Woedend omdat blanken iemand met een andere huidskleur verachten. Razend omdat vrouwen als zesderangs-burgers behandeld worden; gezien worden als lustobjecten zonder hersenen.
En woedend en verdrietig tegelijkertijd omdat zoveel homoseksuele meisjes, jongens, vrouwen en mannen niet zo sterk zijn als wij. Kortom zij, die het en ook nu anno 1985, niet redden. Zij die niet op kunnen tegen de voor ons zo duidelijke rekenen die dit veroorzaken; namelijk: de ingepompte zelfhaat, de vaak terechte angsten, het gewoon zwak zijn.
Kortom - zij die niet op kunnen tegen deze maatschappij met zijn belachelijke overtrokken hetero-power.
We waren en zijn twee totaal verschillende persoonlijkheden. We botsten veel, godzijdank. Ik met m’n krankzinnige - vaak onhaalbare ideeën, hij met z’n lieve - volgens mij vaak te softe aanpak. Wij corrigeerden elkaar. Hij hield mij tegeneen als ik te snel wilde. Ik gaf hem vaak de moed om toch dingen te doen, waarvan hij de noodzaak wel inzag, maar er dan op dat moment nog niet aandurfde.
Tegenpolen misschien? Wat een cliché. Maar we respecteerden elkaar. We hadden er ook lol
om.
Want waar wij altijd veel last van gehad hebben en ik nu nog heb is/was: onze uitstraling. Een bewijsje van hoe oppervlakkig mensen met elkaar omgaan. Waar ik het over heb is, wat wij noemden/ik noem onze ‘bartje/gore-slet act’.
Elfeneenhalf jarige relatie
Lefert, uit Drente afkomstig, leek voor iedereen altijd de serieuze, rotsvaste vriend, die iedere homo zich toewenste. Dat was hij ook. Terecht dat ze dat in hem zagen, maar er was ook een ontzettend groot verlangen om net als ik gewoon natuurlijke geilheid uit te stralen. Daar benijdde hij mij vaak om.
Ik daarentegen, met mijn brutaal smoelwerk, mijn soms veel ad-remme opmerkingen, te snel konklusies trekkende - vaak terecht, soms ook niet - blijk uit te stralen dat ik iedere jongeman of meneer zo snel mogelijk uit de kleren wil hebben. En natuurlijk wilde ik dat soms heel graag, en Lefert ook. En natuurlijk lukte soms ons, of hem, of ik dat ook.
Wij namen/nemen elkaar zoals we waren. Met veel jaloerse reakties - over en weer - Wij waren/zijn tenslotte ook maar mensjes. Een gelukkig - niet definitief dieptepunt - in onze elfeneenhalf jarige relatie was het moment dat we, nu drie jaar geleden, elkaar totaal kwijt waren. In die situatie werd Lefert verliefd op L. Een voor in de twintig jarig nichtje dat Lefert’s adembenemende, krachtige, weifelende, mooie verschijning adoreerde en hard nodig had. L. woont inmiddels in A. met een door hem zeer aanbeden lover in hun vorig jaar gekochte huis, zeer gelukkig.
Ook deze periode zijn we te bomen gekomen. Ik was toen radeloos. Maar we hebben het gered. Jullie hebben hier verder niets mee te maken.
We waren toen zo stom, dachten we naderhand, om ook deze depressie in onze relatie te moeten vertellen aan onze familie. De wederzijdse families reageerden zoals gewoonlijk weer verkeerd. Wij dachten in onze onschuld: ‘Ze moeten weten dat we gelukkig zijn. Maar als het om bepaalde redenen niet zo goed met ons gaat moeten ze dat ook weten’.
Zij kwamen met hun voorspelbare reakties: ‘Lefert besef goed wat je doet. Zo’n vriend als Reijer krijg je nooit meer’. ‘Jullie homo’s geven veel sneller dan wij aan dit soort gevoelens voor anderen toe’. ‘Ook wij, je vader en moeder hebben weleens problemen gehad. Maar we zijn echt nooit met een ander naar bed geweest’.
Luisteren
Nu besef ik mij extra duidelijk hoe goed die konfrontaties van ons geweest zijn. Wij bespraken altijd alles met onze wederzijdse families. Vaak tot vervelens toe. Dan kwamen we weer in IJhorst (gemeente Staphorst) met onze verhalen. Dan zaten we weer in Wormerveer met een woest verhaal over een homo-aktie.
‘Kunnen jullie ook eens over iets anders praten dan alleen over homoseksualiteit?’, verzuchtte mijn vader dan, terecht.
‘Piet’, zei mijn moeder dan, ‘Lefert en Reijer worden gediskrimineerd. Laat ze maar. Daar hebben ze behoefte aan’.
En wij maar doorgaan: ‘Er belde vannacht een man op uit Assendelft. Zijn vrouw en kinderen waren een nachtje weg. Eindelijk kon hij eens over z’n gevoelens voor mannen praten. Anoniem. Ons telefoonnummer had hij uit ons plaatselijke dagblad ‘De Typhoon’. En wij maar doorgaan: ‘De politie belde ons op. Er slaapt een meisje van 17 jaar in de wachtkamer van het station van Wormerveer. Of wij daar iets van weten? Nee, dat wisten wij niet. Waarom belt u ons eigenlijk? Nou, jullie zijn toch van die homo-groep hier. Zij vertelt ons dat ze lesbisch is, dat haar ouders in Krommenie haar hebben weggestuurd.
Door al die gesprekken hebben ze ons, gedeeltelijk, leren begrijpen. Hebben ze ons ook nu niet in de steek gelaten. Fantastisch! Inderdaad. Maar we hebben het verdiend. Zij hebben ons ook veel geleerd. Soms door het alleen maar naar ons luisteren. Soms door hun onbegrip. Altijd met hun liefde.
Het had voor hun en voor ons ook politieke konsekwenties. Ik kom uit een PvdA-nest. Een paar jaar geleden ben ik overgeswitcht naar de PSP. Op een PvdA-kongres werd toen met alles wat de Rooie Vrouwen inbrachten de vloer aangeveegd. Ook werd toen aangenomen dat er beknibbeld zou gaan worden aan de uitkeringen van de ‘sociale minima’.
Dit was voor mij althans de - en daar komt ie weer - de bekende druppel die de... nou ja.
Voor Lefert en mij leverde dit weer veel gesprekstof op. ‘Ja maar de PvdA heeft veel meer macht’. Ik dan weer: ‘Maar ze negeren vrouwen toch. En wat stelt die homo-groep van de PvdA nou uiteindelijk voor’.
Lefert’s hartje zat in feite ook bij de PSP. Maar als het puntje bij het paaltje kwam - in zo’n stemhokje - ging z’n rode potlood toch weer naar de PvdA.
‘Maar ik heb wel op een vrouw gestemd hoor!’ zei hij dan. Mijn antwoord was dan heel spontaan: ‘Je bent een zak’.
Nou ja, jullie kennen dit gezeur wel. Ik ga er maar even vanuit dat jullie dit soort politieke discussies ook koppelen aan je homo-lesbischzijn.
Ook Lefert’s familie veranderde in dit opzicht. We hebben ze van de ‘Telegraaf afgekregen, en het ‘TROS-kompasje’ werd de ‘VPRO-gids’. Goed zo! Prima!
Klote-reakties
Over Lefert’s ziekte: zijn longontsteking en AIDS kan ik op dit moment niets meer schrijven. Dat lukt me niet zonder Ineke van den Bergen. Over de ontelbare reakties die wij, de families en ik, hebben gekregen wel.
Naast veel goede ontroerende strijdbare reakties waren er ook veel negatieve.
De honden die me brieven moesten sturen met hakenkruizen erop, die ons homo’s gewoon dood willen hebben, had ik verwacht. Toen Diane de Coninck en ik ‘Ook zo’ maakten bij de VPRO, werden we ook vaak na afloop van de uitzendingen uitgescholden en bedreigd. Maar toen had ik haar en Lefert.
Nu ben ik alleen. Wel heb ik een aantal vrienden en vriendinnen en de families, die ik desnoods midden in de nacht, als ik niet meer wil of kan, mag opbellen.
Maar dat ik van die klote-reakties zo overstuur zou raken, had ik van tevoren nooit ingeschat.
De kombinatie van de volgende twee feiten; nl. dat de waterleiding van ons huisje nu totaal bevroren is en de meneren die mij maar opbelden en me vertelden dat ze me een mes in m’n reet wilden steken, hebben me doen besluiten een paar weken op een anoniem adres te verblijven.
Ik noem dit niet ‘onderduiken’. Dat vind ik onsmakelijk en doet me aan een andere ‘zeer afschuwelijke periode’ denken. Nee, ik noem het ‘tijdelijk logeren’.
Andere reakties zijn veel grievender.
Dat nu extra duidelijk blijkt dat bepaalde personen absoluut zich niet kunnen voorstellen dat Lefert en ik elfeneenhalf jaar - jammer genoeg zo kort - van elkaar gehouden hebben/ik nog van hem hou.
‘Zit verder maar nergens over in hoor Reijer. Op de manier waarop jij eruit ziet heb je zo weer een vriend’, zei een oude nicht bemoedigend en goedbedoeld.
‘Als je zin in sex hebt, Reijer, dan kom ik wel even langs hoor. Met een safe condoom’, zei een jonge mooie flikker, goedbedoeld.
Ook daarom logeer ik even tijdelijk op een ander adres. En ook om niet steeds te horen hoe geraakt mensen zijn door het artikel in de Volkskrant. Ik kan niet 180 keer per dag hetzelfde gesprek voeren.
‘Sterkte’ en goedbedoeld
‘Wat fijn he Reijer, dat ze je nu dit baantje hebben gegeven bij Homonos, nu je zo zielig bent. We denken aan je hoor. Veel sterkte!’ zeiden twee zeer bevriende heren, goedbedoeld.
Die baan heb ik aangeboden gekregen omdat ik van die fantastische kwaliteiten bezit op ‘gay radio’gebied, zei het schrijvertje gniffelend.
Job Frieszo kreeg een baan bij het programma ‘Met het oog op morgen’ als parlementair verslaggever. Ze zochten een nieuwe. Een mannelijk element in het homo-programma van de NOS ‘Homonos’, dat jammer genoeg maar een half uurtje per week duurt en is weggestopt - schandalig - maar misschien ook terecht, want zo denken ze over ons, op dat nieuwe verschijnsel dat ‘Hilversum 5’ heet, waarop alle zogenaamde minderheidsgroepen zich mogen laten horen.
Die baan kreeg ik net voordat Lefert’s ziekte zulke enge vormen ging aannemen. Aletta Oosten, Ria Luichies en Job wilden mij hebben. En ondanks het feit dat zij nu met een volsagen chaoot werken, leveren we een kwalitatief goed produkt af waar de NOS trots op is.
En natuurlijk ben ik publiciteitsgeil; een baricade-nicht, die soms zo nodig op de voorgrond moet staan.
Maar ik heb altijd gezegd: ik wil radio-maken, maar alleen bij de VPRO, de VARA, het Humanistisch Verbond en bij de NOS. Ik heb ooit een vaag aanbod gehad bij de KRO. Maar wat moet ik nu, als jongen die bewust geen geloof heeft,bij de KRO?
Na het stoppen van ons programma ‘Ook zo’ heb ik mij verlaagd tot het zijn van ‘uitzendkracht’. Een uitkering heb ik - gelukkig - nooit gehad. Dan zou ik dagen thuis moeten zitten. Dan ging ik van ellende zuipen.
Mensen die wel een manier hebben gevonden om zonder werk te leven, bewonder ik enorm. Een buurman van mijn ouders zit dagenlang te breien. Met 4 pennen. Geweldig en moedig.
Nee, ik zat maandenlang 8 uur per dag, 5 dagen in de week net als zovelen dossiers alphabetisch te rangschikken.
Vernederend
Lefert vond dat ook vreselijk voor mij. Maar ‘s avonds en in het weekeinde hadden we de homobeweging. Om ons toch nog wat menswaardig te voelen.
Hij was totaal stukgelopen in het onderwijs. Wat eens zo’n idealistische job leek. Werken met kinderen. Individuele aanpak. Extra voorzieningen en noem maar op. Is verworden, door alle schandelijke maar misschien noodzakelijke - daar heb ik geen verstand van - is verworden tot een wederom klassikaal kind-onvriendelijk leersysteem.
Ook Lefert had de beweging dus hard nodig. Hoeveel steun wij anderen - en met ons zoveel mede-COC-tiepetjes! - Lefert soms oprecht, soms met z’n gespeelde ‘Bartjes-act’; ik soms oprecht, soms met m’n gespeelde ‘Gore-sletact’; hoeveel steun wij anderen; lesbiennes, homo’s en varianten ook gegeven hebben - in feite deden/doen wij dat alleen voor onszelf.
Wij hebben nooit ‘goed’ zitten zijn voor anderen.
Dat vind ik/vonden wij een onsmakelijke lelijke vorm van zogenaamd ‘hulpverlenen’.
Over AIDS moet jammer genoeg nog veel gesproken worden. Ik denk aan Peter. Hans, George en Serge. Ik zou willen bellen. Maar dat heeft geen zin. Ieder heeft z’n eigen vorm van verdriet - zit in een ander stadium van verwerken.
Ieder AIDS-geval is ook zo anders.
Als je je vriend heel langzaam zieker ziet worden. Dan moet je ook iets voelen van opluchting als het op een rustige manier afgelopen is.
Er is geen vaccin.
Het is een ramp voor iedereen.
De term ‘Homo-ziekte’ is ook zo vernederend’. Maar als ik, terwijl ik wordt voorgesteld aan mijn nieuwe NOS-collega’s, te horen krijg dat George toch nog zo fijn naar Zwitserland is geweest, dan begin ik te trillen - dan zou ik het wel uit willen schreeuwen.
Dat had ik met Lefert ook nog zo graag willen doen. Het is bij ons zo ontzettend snel gegaan. Voor mijn gevoel ben ik een jaar in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam bij Lefert geweest.
Maar het waren maar drie weken.
Ik besluit nu spontaan dit stuk ook aan Homologie en Seks aan te bieden. Ik kan dit maar 1 keer.
En als mensen zeggen - dat ze bijvoorbeeld de crematie en de rouwadvertentie een publiciteitsstunt van mijzelf vinden - dan denk ik aan mijn families en vrienden.
Aan b.v. Lefert’s oudste broer Engbert, die stugge trotse Drentse kippenboer, die een arm om me heenslaat en zegt in dialect: ‘Dat hebbie goed gedoan!’
Reijer Breed
