Carmen Zacher HERDENKING

Carmen Zacher


2 September 1996

secretariaat Hiv Vereniging Nederland

sectie Postieve Drug en Ex-druggebruikers, HivPlusLijn

HERDENKING
HET LEVEN IN BEELD
NALATENSCHAP

Hivnieuws 67/68 - november 2000 - februari 2001 p. 46-47

Monument

Ik wilde voor deze tentoonstelling een monument maken voor de vrouwen die er niet meer zijn en die ik het best heb gekend. Esther, Jeannine en Carmen. 's Nachts op bed lag ik eraan te denken en mijmerde wat voort. Het monument moest mooi zijn, ontroerend, sterk, beweeglijk, kwetsbaar en eeuwigdurend. Geen geringe opgave, zeker niet voor iemand die nog nooit een monument gemaakt heeft, maar wel barst van de herinneringen. Iedere keer als ik een vorm meende te 'zien', schoven er andere beelden voor. Esther, toen ze net de uitslag had gehoord. Grote ogen vol paniek, nat van de tranen. Jeannine, gehuld in fragiele gewaden, die met een infuus in haar arm mijn verjaarsfeest kwam opvrolijken en gierend van het lachen een fles wijn achterover sloeg. Carmen in Ikea: "Ik koop voor het eerst van mijn leven nieuwe meubelen. En ik ben al bijna dood!"

Maar ja, drukdrukdruk natuurlijk en opeens was het al bijna de openingsdag en had ik nog niets. In mijn hoofd natuurlijk wel, daar bouw ik vaak wat monumentjes. Een beetje stiekem, niet voor publiek bestemd, want ze zijn nooit af. En ik heb nooit genoeg tijd om ze bij te schaven. Dat komt doordat ik de dingen mooier wil maken dan ze zijn.

De dood is niet mooi en of het leven mooi is staat nog te bezien, vind ik. Wie lang op de Hiv Vereniging heeft rondgelopen, zoals ik, heeft zich een merkwaardig soort zelfbescherming aangeleerd. Ikzelf hak de emotioneel ingewikkelde dingen in stukken, zodat het hapklare brokken worden. Neem het proces van afscheid nemen bijvoorbeeld. Daar houd ik niet van, dus begin ik er alvast maar een beetje mee als ik iemand leer kennen. Dat levert mij persoonlijk geen problemen op, wel de verwonderlijke wetenschap 'dat dat waarschijnlijk niet normaal is'. Maar het hielp me, al die tijd, me staande te houden. Niet dat ik immuun ben geworden voor gevoel, verdriet en dergelijke, maar ik houd er rekening mee dat mensen zomaar weg kunnen zijn. Voorgoed en nooit meer terug.

Terug naar het monument. Carmen, Jeannine en Esther zijn voorgoed weg en komen nooit meer terug. Nu wil ik hen gedenken, hun nagedachtenis misschien mooier maken dan nodig is en goed voor ze is. Dat vind ik eigenlijk niet in de haak. Niet zuiver.

Laat ik wat vertellen.
Ik fietste over de Diemerzeedijk en was erg verdrietig, terwijl toch de zon scheen, de wind in mijn rug blies en de vogeltjes floten. Ik wist niet precies waarom ik zo verdrietig was. Het voelde erg wanhopig, alle dingen zouden voorbijgaan en er zou niets, niets, van overblijven. Tenslotte zou ik zelf de geest geven - hoe en wat en waarom kon me niets schelen - en dat was het dan. Ik naderde Weesp. De trappers bleven draaien, dat deed ik zelf, met die stevige benen van me. Toch een klein wonder dat dat zo werkte. Dat alles gewoon maar doorging. Toen kwamen de herinneringen. Meestal gaat dat zo bij mij: als ik op de automatische piloot zit en niet hoef te werken of iets sociaals hoef te doen, vliegen al die dode mensen me om de oren. Gelukkig maar. Dan weet ik dat ze er nog zijn.

Esther
Ik werkte nog niet bij de Hiv Vereniging maar bij Stichting Amazone. Nu opgeheven, destijds een organisatie voor 'vrouwen in kunst en cultuur’. Het was een organisatie waar ook veel vrijwilligers werkten. Op een dag meldde Esther zich aan, telefonisch. Ze praatte erg kortaf en klonk als een kenau. "Mijn god" dacht ik, "nu krijgen we zo'n grote dikke troela op ons dak waar ik helemaal niet tegenop kan natuurlijk." Op de afgesproken tijd was er geen Esther. In plaats daarvan belde ze op en zei dat ze iets later kwam. Toen ze eindelijk arriveerde, met een nors gezicht, strak van de zenuwen, bleek ze helemaal niet groot en dik maar meisjesachtig. Halflang haar, krulletjes. Schattig.
Toen we een paar maanden hadden samengewerkt en op een rustige dag samen in het kantoor waren, zei ze opeens: "Ik moet je wat vertellen”. Ik keek op van mijn werk. "Ik heb drugs gebruikt." "O", zei ik en vond mezelf erg dommig, omdat ik daar verder geen enkele mening over had. Ik geloof dat ik nog vroeg hoe het dan nu met haar ging en of ze het dan nu in de hand had en daarmee was de kous af. Later zei ze dat ze had gedacht dat ik haar weg zou sturen.
Esther sleepte me twee jaar later mee naar de opening van de sectie Positieve Vrouwen. Door haar kwam ik uiteindelijk bij de Hiv Vereniging terecht.

Jeannine
Mijn allereerste vergadering bij de Hiv Vereniging ging over de Vrouwenvoorconferentie in 1992. Halverwege die dag had ik mijn werk bij een theatergroep beëindigd en mijn spullen in dozen gepakt. Nu zat ik op de fiets en racete naar de P.C. Hooftstraat. Onderweg zag ik dat ik een opvallende vlek had op mijn die ochtend nog zo frisgroene shirt. Te laat en lichtelijk shabby betrad ik de vergaderzaal waar een hele groep vrouwen ernstig en verhit om de tafel zat. Esther grijnsde breed toen ze me zag, haar ogen gericht op de vlek in mijn shirt en ik probeerde mij nog zo goed mogelijk voor te doen. Iemand wees naar een stoel. Ik kon daar gaan zitten. Ik plofte neer en zag het zeer kritische gezicht van mijn overbuurvrouw die er helemaal schoon en mooi en bevallig bij zat en voelde mij opeens hoogst ongemakkelijk. Dat was Jeannine.
Na de vergadering praatten Esther, Jeannine en ik nog wat na. Jeannine maakt een grapje en gierde het uit. Wij bleven een beetje stil, want we snapten de clou niet. Daar werd ze nog vrolijker van: "Ik lach altijd het hardst om mijn eigen grappen" zei ze en ik bedacht me dat ik haar erg leuk vond.

Carmen
We zaten nog met de Hiv Vereniging in de P.C. Hooftstraat, toen op een middag gekwek opklonk uit de gang. Ik zag Jeannine langslopen met een kleine vrouw naast haar. Ze hadden dikke pret, ik voelde me een suf kantoortype. Later hoorde ik dat dat Carmen was en dat ze met Jeannine ging werken voor de sectie Positieve Drug- en Ex-druggebruikers.
We verhuisden naar de 1e Helmersstraat. Carmen was gestopt met de sectie PDE en werkte bij de HivPIusLijn. Toen ze ook daar stopte kwam ze op het kantoor te zitten, waar ik ook zat. Het feit dat ze 's middags om één uur al twee kroketten en een grote zak patat naar binnenwerkte maakte indruk op me. In haar nukkigheid leek ze op Esther, in haar vermogen om haar eigen grapjes te lachen op Jeannine. En ze was stronteigenwijs. Maar dat ben ik ook.
Na verloop van tijd vertelden we elkaar meer over onszelf en bespraken we ook andere dingen dan het werk. Ze had een zoon. Hoe dat met hem moest als zij misschien dood zou gaan. Dat soort zaken en nog veel meer bespraken we. Toen zij overleed was hij 17 en werd ik zijn voogd.

Als ik dan Weesp gepasseerd ben, heb ik vaak het gevoel dat ik om moet keren en terug: naar huis moet fietsen, omdat dat vanwege de afstand verstandiger is. Meestal doe ik dat niet, omdat ik zo lekker voortpeddel op mijn herinneringen en het beter is nog wat verder van Amsterdam verwijderd te raken. In negen van de tien gevallen maak ik een grote boog naar het zuiden en fiets via het Gein door de Bijlmer weer terug naar huis. Soms kom ik dan langs de Oosterbegraafplaats, waar de uitvaart van Carmen en Jeannine was.
Esther ligt op Zorgvlied. Dat is trouwens een andere fietsroute van me: langs de Amstel en door en door tot ik moe ben en uitgeraasd, uiterlijk ter hoogte van Vinkeveen. Ook dan ga ik soms terug via de Bijlmer. In dat geval passeer ik beide begraafplaatsen in een tocht. Ik knik dan wat in de richting van de graven en fiets door naar huis.
Want ik ben niet iemand die naar begraafplaatsen gaat of een plekje nodig heeft om aan iemand te denken. Het klinkt heel hardvochtig als je zoiets hardop zegt en ook is het een beetje 'not done’. Alsof je al die dooie mensen dan verwaarloost. Maar ik heb liever dat ze aldoor op de achtergrond aanwezig zijn en af en toe opduiken, dan dat ik mezelf verplicht voel ergens naar toe te gaan om aan hen te denken.

Ik heb het gevoel dat ik ze alledrie in de steek gelaten heb. Omdat ik niet dat heb kunnen doen wat ze van me verwachtten. Al kan ik nou ook weer niet zeggen wat ze van me verwachtten. Misschien is het mijn aangeleerde houding van 'alvast afscheid nemen’. Misschien is het het simpele feit dat ik nog leef.

En dan nog eens iets raars: als iemand mij zou vragen of ik hen mis, zou ik dat niet weten. Ik sta daar amper nog bij stil. Ik ben eraan gewend dat ze er niet meer zijn. Dus zou ik zeggen, een beetje aarzelend: "Sommige dingen”. Om direct daarna te denken: "Ik mis hen wel. Ik mis die gesprekken over verdriet en angst en liefde en leven. Waren ze er nog maar, die moeilijke tantes. Met hun lach, hun gekte, hun onvoorspelbaarheden."

Kijk, nou heb ik het toch weer mooier gemaakt dan ik wilde.

Marleen Swenne