Trots in de polder: de homobeweging en aids
De homowereld is vanaf het begin van de aidsepidemie hard getroffen door het verraderlijke virus. Alleen al in Nederland zijn in de loop der jaren duizenden homo’s aan de ziekte overleden en naar schatting zijn enkele tienduizenden van hen ondertussen geïnfecteerd met hiv. Ook in de kring van homoactivisten en anderen die zich voor de homozaak hebben ingezet, heeft de ‘big disease with the little name’ grote gaten geslagen. Een van de eersten die - in 1986 - aan de gevolgen van aids overleed, was de dichter en vertaler Jim Holmes. Als schrijver van homo-erotische poëzie maakte hij naam. Maar hij stak bepaald ook niet onder stoelen en banken dat hij een trotse leerman was.
Van stond af aan was de homobeweging hier te lande intensief betrokken bij het aidsbeleid. Zo schuift de homobeweging - ‘goed voorbereid en met gesloten gelederen’, aldus historica Annet Mooij in haar studie Geen paniek! Aids in Nederland 1982-2004 - begin ’83 al aan tafel met vertegenwoordigers van de bloedbank. Het belang van de bloedvoorziening was evident: koste wat kost wilde men verhinderen dat er met hiv besmet bloed bij de bloedbanken terecht zou komen. Vandaar het voorstel om voortaan homomannen uit te sluiten van het geven van bloed. Recht daartegenover stond het even plausibele standpunt van de vertegenwoordigers van de homobeweging. Ten koste van alles moest verhinderd worden dat door stigmatisering en discriminatie de homoseksuele emancipatie in gevaar zou komen.
Deze spanning tussen volksgezondheid en emancipatiebelangen zou lange tijd de discussies van de aidsbeleidsmakers beheersen. Jan Herman Veenker was bij uitstek iemand die heel goed wist hoe hij vaardig tussen de Scylla en Charybdis van dit soort tegenstrijdige principes moest manoeuvreren. Als voormalig landelijk secretaris van het COC had hij precies in de smiezen waar de homopijnpunten lagen. Tegelijk wist hij als geen ander wat er vereist was om een potentieel voor de homozaak vernietigende epidemie in te dammen. Eind 2004 kwam er noodgedwongen een eind aan zijn verbindingswerk tussen de homobeweging en de aidsbestrijding.
Activisten als Walter Kamp en Floris Michiels van Kessenich hadden minder geduld voor al dat gepolder in het vergadercircuit. Samen tekenden ze in 1990 voor de oprichting van het controversiële Fight for Life. Eerder was Kamp al in het strijdperk getreden als beschermheer van het Amsterdamse Flikkerfront. Ook was hij als secretaris van de stichting Vrije Relatierechten nauw betrokken bij de Miami Nightmare (1977), een benefietavond in het Concertgebouw om geld in te zamelen ten bate van de homoburgerrechtenstrijd. Zijn kompaan Van Kessenich was al even internationaal georiënteerd. De rabiate antihomoseksuele dogma’s van de katholieke kerk waren hem een gruwel en al even fel was hij gekant tegen de repressieve homowetten van het Verenigd Koninkrijk van Margaret Thatcher. In december 1991 is hij aan het eind van zijn krachten. Op zijn graf mag alleen de aanduiding ‘homoactivist’ vermeld worden. Walter Kamp overleeft hem heel wat jaartjes. Tot hij eind 2006 ook het aardse voor het eeuwige verruilt.
Marty PN van Kerkhof
journalist en schrijver
